Hooglied, erotiek in de Bijbel

Hooglied 1

De erotische passages in Hooglied. (een Bijbelboek)Hooglied 1

Hooglied wordt algemeen gezien als een viering van het huwelijk en seksualiteit en bevat een hoop erotische passages. Het is een belangrijk boek omdat het laat zien hoe God de vreugde van seksualiteit tussen man en vrouw bedoeld heeft. Het is geschreven is de vorm van een dialoog tussen de Bruid en de Bruidegom met af en toe een toevoeging van de vriendinnen van de Bruid.

Het taalgebruik zit vol met agrarische metaforen waardoor het misschien moeilijk te begrijpen valt voor de hedendaagse lezer die niet meer bekend is met het boerenbedrijf. Het koppel is nog niet getrouwd aan het begin van het verhaal maar fantaseert over elkaar. Het begint ronduit erotisch met de Bruid die hunkert naar seks.

1 Het mooiste lied, geschreven door Salomo.

2 Zij: “Kus me! Kus me toch met je verrukkelijke mond! Want jouw liefde is heerlijker dan wijn.

3 Je ruikt heerlijk naar parfum. En je naam klinkt verrukkelijk. Daarom houden alle meisjes van je.

4 Neem me mee! Laten we snel naar je kamer gaan, mijn koning! Laten we blij zijn en plezier maken! Dat jij van mij houdt, is heerlijker dan wijn! Het is geen wonder dat alle meisjes van je houden.

Geen onduidelijkheid hier. Let op het “laten we snel”! Deze vrouw heeft behoefte aan wat actie. Ze gaat verder:     

5 Mijn huid is bruinverbrand, maar ik ben mooi. Meisjes van Jeruzalem, mijn huid is zo donker als de tenten van Kedar, donker en mooi als de tapijten van Salomo.

6 Let er niet op dat mijn huid zo donker is, dat hij donkerbruin is van de zon. Mijn broers waren hard voor mij. Ik moest van hen de wijngaard bewaken. Maar voor mijzelf, mijn eigen wijngaard, heb ik niet gezorgd.

7 Allerliefste, zeg me toch waar jij je kudden laat grazen! Vertel me waar je ’s middags je dieren laat rusten. Of moet ik de kudden van je vrienden langs gaan om je te zoeken?” Ze werkt hard en zorgt voor haar familie maar heeft haar eigen behoeftes verwaarloosd. De Bruid wil haar Bruidegom vinden – waarom zou ze rondlopen, zoekend naar hem tussen de kuddes?

De Bruidegom antwoord:

8 Hij: “Als je het niet weet, mooiste van alle meisjes, volg dan de sporen van de schapen. Laat je geiten maar achter bij de andere herders.

9 Allerliefste, je bent zo sierlijk als een paardje voor de wagen van de Farao.

10 Je bent zo mooi, met die oorhangers langs je wangen, en die parelkettingen om je hals.

11 Ik zal gouden sieraden voor je maken, met balletjes van zilver.”

De “paardje voor Farao’s wagen” (Engelse vertaling “mare between stallions) is een prachtig plaatje. We lezen dat de jonge vrouw haar bruidegom adoreert, en de Bruidegom is niet minder uitgesproken. De Bruidegom wil zijn Bruid bedelven onder juwelen die gelijk zijn aan haar schoonheid. (sommige denken dat dit moet worden geïnterpreteerd als het zaad van de bruidegom wat gestort is op het lichaam van de bruid, maar dat kan vergezocht zijn.) Als de Bruid antwoord brengt zij het gesprek weer op seks:

12 Zij: “Terwijl de koning bij mij aan tafel is, denk ik aan mijn liefste.

13 Mijn liefste is voor mij als een parfum in mijn hals.

14 Hij is als een tros hennabloemen uit de wijngaarden van Engedi.”

Deze verzen gaan over de geur van de Bruid en de bruidegom. Terwijl de Bruid haar geur….verspreid…is er feest voor de Bruidegom. Haar geliefde is een parfum tussen haar borsten. Vrouwen gebruikten henna als een schoonheidsproduct voor make-up en haarkleuring, en haar Bruidegom maakt dat zij zich mooi vind.

De geliefden maken elkaar het hof:

15 Hij: “Wat ben je toch mooi, mijn liefste, wat ben je toch mooi! Je hebt de ogen van een duif.”

16 Zij: “Liefste, wat ben je mooi, wat is het heerlijk bij je. Het gras en mos zijn ons bed.

17 Hij: “De cederbomen zijn de balken van ons dak en de cipressen zijn de muren van ons huis.”  

“het gras en mos zijn ons bed”  dat ligt zacht maar figuurlijk gesproken is het levendig en zinnelijk. Het bed van de geliefden is vol van primair, natuurlijk leven. Een vreugdevol plaatje. De Bruidegom sluit het hoofdstuk af met een metafoor die de eeuwen kan doorstaan: Een heleboel hout hier. Bomen en balken. De Bruidegom schept op over zijn mannelijkheid, het zij hem vergeven.

De eerste twee verzen van Hooglied hoofdstuk 2 horen hier eigenlijk nog bij als mooie afsluiting.

Zij: “En ik ben zo gewoon als een narcis in de Saron-vlakte, (in het voorjaar staat de vlakte van Saron vol met narcissen) of een lelietje-van-dalen.”

2 Hij: “Je bent zo mooi als een lelie tussen de distels. Je bent mooier dan alle andere meisjes.”

Zoals hout de oude metafoor is voor een penis, zo is voor de vrouw de bloem het equivalent. De Bruidegom vergelijkt zijn mannelijkheid met het massieve cederhout, en de vrouwelijkheid van zijn Bruid met een prachtige bloem. Met haar vergeleken zijn  de andere jonge vrouwen dorens en distels.

Hooglied 2

Zij: “Als een appelboom tussen de bomen van het bos. Zo is mijn lief tussen de jongens. Ik verlang in zijn schaduw te zitten, met mijn tong wil ik zijn zoete vruchten proeven.

4 Hij brengt mij in het wijnhuis, Boven mij zijn vaandel van liefde.

5 Verkwik me met rozijnen, verfris me met appels, want ik ben ziek van liefde.”

De Bruidegom is weer een boom, en de Bruid geniet er van om in zijn schaduw te zitten en zijn fruit te eten. Hij heeft haar zelfs naar zijn wijnhuis gebracht. Dus waar denk je dat zij van genieten? Hint: elkaars lichaam! Hint twee: orale seks.

De Bruid gaat verder:

6 Mijn hoofd rust op zijn linkerarm, met zijn rechterarm omhelst hij mij.

7 Meisjes van Jeruzalem, ik bezweer je bij de gazellen, bij de hinden op het veld: Wek de liefde niet, laat haar niet ontwaken voordat zij het wil.

De omarming zoals beschreven duid op seksuele intimiteit.  De Bruid is zo opgewonden dat ze alle controle over zichzelf verloren is, en waarschuwt de andere jonge vrouwen om de passie niet op te laten laaien totdat die binnen het huwelijk de plek vind die passie verdient. We horen de Bruidegom roepen naar de Bruid om haar ervan te overtuigen dat de tijd rijp is om de liefde te bedrijven.

10 Mijn lief roept mij toe: ‘Sta op, vriendin! Mooi meisje, kom!

11 Kijk! De winter is voorbij, voorbij zijn de regens, weggegaan.

12 De bloemen zijn verschenen op het veld, Nu breekt de zangtijd aan,

13 Het koeren van de duif klinkt op het land. de vijgenboom is al vol vruchten, de wijnstok rankt en geurt. ‘Sta op, vriendin! Mooi meisje, kom!

De Bruid geeft zich over aan haar Bruidegom en ze bedrijven de liefde tot het weer morgen wordt.

16 Mijn lief is van mij, en ik ben van hem. Hij weidt tussen de lelies.

17 Nu de dag weer ademt en het duister vlucht – ga nu weg, mijn lief. Spring als een gazelle, als het jong van een hert over de geurige bergen .

Hoofdstuk twee is nog meer seksueel getint dan hoofdstuk één. Als je dacht dat God en onze voorvaders preuts waren dan hoop ik dat Hooglied je gedachten veranderd heeft. God heeft seks tussen man en vrouw bedoelt als opwindend en zinderend.

Hooglied beschrijft een stel, Bruid en Bruidegom, dat weet dat ze moeten wachten met seks omdat de tijd er nog niet rijp voor is. Je leest hoe ze elkaar verkennen en hoe ze smachten naar het één worden met elkaar. Zoals er staat in Genesis 2:24; Zo komt het dat een man zich losmaakt van zijn vader en moeder en zich hecht aan zijn vrouw, met wie hij één lichaam wordt. Beiden waren ze naakt, de mens en zijn vrouw, maar ze schaamden zich niet voor elkaar.

Hooglied 3 begint met een droom.

De Bruid verlangt naar haar Bruidegom en zoekt hem overal. Wie heeft er niet eens over gedroomd? Uiteindelijk vindt ze hem in haar droom en wordt nogal zenuwachtig wakker. Het is de nacht voor hun huwelijk.

1 ’s Nachts in mijn slaap zoek ik mijn lief. Ik zoek hem, maar ik vind hem niet.

2 Laat ik opstaan, rondgaan in de stad, laat ik in de straten, op de pleinen, zoeken naar mijn allerliefste. Ik zoek hem, maar ik vind hem niet.

3 De wachters vinden mij op hun ronde door de stad. ‘Hebben jullie mijn lief gezien?’Bruidegom en Bruid

4 Nog maar nauwelijks ben ik hun voorbij of ik vind mijn lief. Ik grijp hem vast en laat niet meer los tot ik hem gebracht heb in mijn moeders huis, In de kamer van haar die mij baarde.

5 Meisjes van Jeruzalem, Ik bezweer je bij de gazellen. bij de hinden op het veld: wek de liefde niet, laat haar niet ontwaken voordat zij het wil.

In haar droom, vind de Bruid haar Bruidegom en sleept hem naar bed. Het beeld dat geschetst wordt in  ‘tot ik hem gebracht heb in mijn moeders huis, in de kamer van haar die mij baarde’, spreekt over de bijzondere intimiteit van seks binnen het huwelijk. Dit gaat niet alleen maar seks, nee, het gaat over liefdevolle seks die kan leiden tot een zwangerschap. Hoe erotisch is dat?

Als de Bruid wakker wordt ziet ze haar Bruidegom arriveren voor de bruiloft.

Zoals de Bruidegom in de vorige hoofdstukken onder de indruk was van haar vrouwelijkheid, zo bewonderd de Bruid hier de mannelijkheid en rijkdom van de Bruidegom.

6 Wie is zij, die daar komt uit de woestijn als een zuil van rook, in een wolk van wierook en mirre, in een geur van kostbare kruiden?

7 Kijk! Salomo ’s draagstoel, omringd door zestig helden uit de keurtroepen van Israël,

8 allen met de hand op het zwaard, geoefend in de strijd, ieder met het zwaard op de heup, bedacht op nachtelijk gevaar.

9 Een draagkoets maakte koning Salomo, een koets van cederhout.

10 De stijlen zijn van zilver, het baldakijn van goud, de zetel is van purper. Hij is versierd met tekens van liefde door de meisjes van Jeruzalem.

11 Kom kijken, meisjes van Sion, kijk naar koning Salomo! Kijk! De kroon waarmee zijn  moeder hem tooide op zijn bruiloftsdag, de dag die zijn hart verblijdt.

Hoofdstuk 3 bevat weliswaar niet zoveel seksuele metaforen als hoofdstuk 1 en 2, maar de intimiteit binnen het huwelijk waarover gesproken wordt is zeker erg erotisch. Vrijen om zwanger te raken kan erg erotisch zijn, omdat jullie beiden weten dat dit niet alleen plezier is maar ook jullie beider kinderwens zou kunnen vervullen.

Hooglied 4

In Hooglied 3 lazen we over de droom die de Bruid had de nacht voor haar huwelijksdag en we zagen haar reactie op de avances van de Bruidegom gedurende de huwelijksdag.  Hooglied 4 begint met de lofzang van de Bruidegom over de schoonheid van de Bruid als hij haar ziet op de huwelijksdag. Hij begint bij haar hoofd en laat zijn blik steeds verder zakken.

1 Hij: “Mijn liefste, wat ben je mooi! Ik vind je zo mooi! Hooglied 4 beschrijving Je hebt de ogen van een duif, zo tussen je lange haar. En je haar golft als een kudde geiten die op de bergen van Gilead grazen.

2 Je tanden zijn zo mooi als een kudde pasgeschoren schapen die net in de beek gewassen zijn. Het zijn allemaal tweelingen. Er ontbreekt er niet één.

3 Je lippen zijn zo rood als roodgeverfde wol. Je mond zegt heerlijke dingen. Je wangen tussen je lange haar zijn zo mooi als doorgesneden granaatappels.

4 Je hals is zo mooi als de toren van David waaraan duizenden schilden van helden hangen.

5 Je borsten zijn glanzend bruin als twee jonge gazellen, een gazellentweeling die tussen de lelies in het gras graast.

6 Als de dag aanbreekt en het donker verdwijnt, ga ik naar jou: een berg van mirre, een heuvel van wierook.

7 Je bent van top tot teen mooi, mijn liefste, je bent werkelijk volmaakt.

De Bruidegom is bevangen door de schoonheid van de Bruid!

Net als de mannen van vandaag  maakt hij complimenten over alle delen van haar lichaam, en het wordt meer intiem naarmate hij verder afzakt. Ogen, haar, tanden , lippen, nek, borsten…maar hoe zit dat met de berg en heuvel? Sommige commentaren zeggen dat het een metafoor is voor de kerk en dat de mirre verwijst naar de geuren die werden gebruikt bij Joodse tempel rituelen. Misschien is dat zo. Hooglied is een metafoor over de liefde van Christus voor Zijn gemeente, maar ook voor het huwelijk zelf. Maar, het is niet moeilijk om te begrijpen dat de Bruidegom op zijn weg naar beneden na het hoofd, nek en borsten terecht komt bij iets wat wellicht te intiem is om te benoemen. Tot de dag aan breekt en het donker verdwenen is wil de Bruidegom zich verheugen in de vrouwelijkheid van zijn Bruid. Een prachtig plaatje wordt hier geschetst, je kunt de Bruid bijna zien blozen van opwinding.

De intimiteit en liefde wordt zo prachtig beschreven in Hooglied 4.

Hooglied 48 Kom van je berg naar beneden, naar me toe, mijn bruid. Kom van je berg naar me toe. Kom naar beneden van de Amana, van de top van de Senir, van de Hermon. Verlaat de bergen waar de leeuwen en luipaarden wonen.

9 Met één blik van je ogen heb je me veroverd. Met één snoer van je ketting heb je me betoverd.

10 Het is heerlijk dat je van mij houdt, mijn meisje, mijn bruid. Het is nog heerlijker dan wijn. En jouw parfum ruikt lekkerder dan alle specerijen.

11 Je lippen zijn zo zoet als honing, mijn bruidje, je mond is zo heerlijk als melk met honing. Je kleren ruiken zo lekker als het bos op de Libanon.

12 Je bent als een afgesloten tuin, mijn bruid, waar alleen ik mag komen. Je bent als een afgesloten bron, waar alleen ik water mag halen.

13 Je bent als een paradijs waar prachtige granaatappelbomen groeien met heerlijke vruchten. Er groeien hennabloemen en nardusplanten.

14 En niet alleen nardus, maar ook saffraan, kalmoes en kaneel, allerlei wierookstruiken, mirre en aloë, alle heerlijke specerijen die er maar zijn.

15 Je bent als een bron in een tuin, een bron met fris, stromend water, een beek van de Libanon!

De tuin is afgesloten, de bron ook, de fontein verzegeld. De Bruid behoort alleen aan haar Bruidegom toe, en de intimiteit van  hun relatie wordt beschermd tegen buitenstaanders. Die intimiteit is seksueel maar niet alleen dat. Het is hun hele relatie, uniek en alleen voorbehouden aan hen beiden.

De Bruid eindigt met een roep die niet moeilijk te interpreteren is. 

16 Zij: “Kom, noordenwind! Waai, zuidenwind! Waai door mijn tuin, zodat alle geuren vrijkomen! Dan komt mijn liefste naar zijn tuin om van die heerlijke vruchten te eten.”

Nadat ze de woorden en beloftes van haar Bruidegom heeft gehoord doet de Bruid wat elke andere vrouw zou doen: Ze roept hem om snel te komen met woorden die druipen van de erotiek.

Dan komt mijn liefste naar zijn tuin om van die heerlijke vruchten te eten.”

Hoofdstuk 5

Het begint met de aankomst van de Bruidegom.  Hij komt in zijn tuin binnen en geniet van het fruit.

1 Hij: “Ik ben al bij je, mijn meisje, mijn bruid,hooglied hoofdstuk 5 ik ben al in mijn tuin gekomen. Ik heb mirre geplukt en balsem. Ik heb je honing gegeten. Ik heb je wijn en melk gedronken. Kom vrienden, laten we samen feestvieren en samen dronken worden.”

Het gaat verder waar de Bruid beschrijft hoe haar hart pijn doet als haar Geliefde er niet is. Misschien dat ze dit droomt, of fantaseert over zijn terugkomst. Ze speelt het zedige bescheiden meisje, maar haast zich daarna om haar Geliefde te begroeten voordat hij weer weg gaat.

2 Zij: “Ik sliep, maar mijn hart was wakker. Ik droomde dat mijn liefste aanklopte. Ik hoorde hem zeggen: ‘Doe open, mijn meisje, mijn liefste, mijn duifje, mijn schoonheid! Mijn hoofd is nat van de dauw. Mijn haar is nat van de waterdruppels.’

3 Maar ik zei: ‘Ik heb mijn kleren al uitgedaan. Moet ik ze soms weer aantrekken? Ik heb mijn voeten al gewassen. Moet ik ze soms weer vuil maken?’

4 Mijn liefste stak zijn hand door de opening in de deur. Mijn hart bonsde luid.

5 Ik stond op om hem open te doen. Mijn handen waren nat, mijn vingers die de grendel open schoven dropen van mirre.

6 Ik deed de deur open, maar mijn liefste was weg, verdwenen! Ik beefde van opwinding toen hij met me sprak. Ik zocht hem, maar kon hem nergens meer vinden. Ik riep hem, maar hij antwoordde niet.

De beelden zijn suggestief. Zowel de Bruid als de Bruidegom zijn nat. De vingers van de Bruid druipen van de geur van fantasieën die ze had over haar Bruidegom. Misschien eindigt de droom hier en is het volgende stuk een metafoor voor haar verlangen. Of de droom eindigt niet maar gaat over in een nachtmerrie vol wanhoop.

7 De wachters die in de stad hun ronde deden, vonden mij. Ze sloegen me, ze sloegen me hard. Ze rukten mijn sluier af, die muurwachters. 8 Ik smeek jullie, meisjes van Jeruzalem, als jullie mijn liefste vinden, zeg hem dan dat ik hevig naar hem verlang.”

Hoe je het ook interpreteert de Bruid is ziek van verlangen door de afwezigheid van haar Bruidegom. De anderen vragen haar wat er dan wel zo speciaal is aan hem?

9 Anderen: “Wat heeft jouw liefste wat een ander niet heeft, mooi meisje? Wat heeft jouw liefste wat een ander niet heeft, dat wij hem dat moeten zeggen?”.

10 Zij: “Mijn liefste heeft een blanke, bijna roze huid.hoofdstuk 5 Hij is mooier dan duizenden anderen.

11 Zijn hoofd is van zuiver goud. Hij heeft ravenzwart, krullend haar.

12 Zijn ogen zijn als de ogen van de duiven bij de beek. Het wit van zijn ogen is zo wit alsof zijn ogen in melk zijn gewassen. Zijn ogen zijn zo mooi als edelstenen in een ring.

13 Zijn wangen zijn als een bloembed, een bloembed van balsem, of een bloembed van geurige kruiden. Zijn lippen zijn zo mooi als lelies en zo heerlijk als mirre.

14 Zijn armen zijn zo mooi als staven goud die versierd zijn met edelstenen. Zijn lichaam is als een kunstwerk van ivoor, bedekt met saffieren.

15 Zijn benen zijn als pilaren van wit marmer die op voetstukken van zuiver goud staan. Hij is zo groot en sterk als een grote cederboom van de Libanon.

16 Zijn mond is heerlijk. Alles aan hem is prachtig!

Waarom is de Bruidegom zo geliefd door de Bruid?

Zo is mijn liefste, zo is mijn vriend, meisjes van Jeruzalem!”

Ze zijn niet alleen geliefden, man en vrouw, maar ook elkaars beste vriend. Hoe mooi is dat?

Hooglied 6

In hoofdstuk 5 lazen we hoe de Bruid verlangde naar de Bruidegom en hoe ze fantaseerde over zijn terugkomst. Aan het begin van Hooglied 6 horen we de meisjes vragen: waar is je Bruidegom heen gegaan?

1 “Waar is je liefste nu heengegaan, mooiste van alle vrouwen? Waar is je liefste naartoe? We zullen je helpen hem te zoeken.”

De Bruid antwoord dat haar Liefste weer is teruggekeerd, en gebruikt weer bloemen als seksuele metafoor. Wat is de tuin van de Bruidegom? Waar ligt hij nu? Ik denk dat jullie het antwoord wel weten.

2 Zij: “Mijn liefste is naar zijn tuin gegaan, naar de bloembedden met kruiden, om er te genieten en om lelies te plukken.

3 Ik ben van mijn liefste en mijn liefste is van mij. Hij ligt tussen de lelies.”

Na het loflied wat de Bruid aanhief over haar Bruidegom in hoofdstuk 5, lezen we nu de bewondering van de Bruidegom voor zijn Bruid.

4 Hij: “Wat ben je mooi, mijn liefste, zo mooi als de stad Tirza,Hooglied 6 zo prachtig als de stad Jeruzalem, en zo gevaarlijk als een heel leger!

5 Kijk alsjeblieft een andere kant op, want ik bezwijk onder je blik. Je haar golft als een kudde geiten die op de bergen van Gilead grazen.

6 Je tanden zijn zo mooi als een kudde pasgeschoren schapen die net in de beek gewassen zijn. Het zijn allemaal tweelingen. Er ontbreekt er niet één.

7 Je wangen tussen je lange haar zijn zo mooi als doorgesneden granaatappels.

8 Koning Salomo heeft wel zestig koninginnen, tachtig bijvrouwen en ontelbaar veel slavinnen,

9 Maar niemand is zo volmaakt als mijn duifje, de enige dochter van haar moeder. Ook haar moeder vindt haar het mooiste meisje. Als de meisjes jou zien, zullen ze je moeder vertellen dat je prachtig bent. De koninginnen en bijvrouwen zullen tegen elkaar zeggen hoe mooi ze je vinden.

10 Je bent zo mooi als een zonsopgang, zo stralend als de maan, zo schitterend als de zon, en zo gevaarlijk als een heel leger.”

De Bruidegom is overweldigd door haar schoonheid als zijn ogen haar zien. Zo stralend als de maan en zo schitterend als de zon. Zij is de enige voor hem. Hij sluit weer af met dezelfde passage als waar de metafoor mee begon; zo gevaarlijk als een heel leger. Een beeld uit het brein van een militair. Dit is een vaak gebruikte techniek bij Hebreeuwse poëzie.  

Als reactie op zijn  liefdeslied wordt de bruid overvallen door passie en gaat….naar beneden…..om te zien of er al bloesem aan de notenbomen zit…

11 Zij: “Ik ging naar de tuin met notenbomen, om te zien of er al bloesems aanzitten. Ik ging kijken of er al blaadjes aan de wijnstruiken komen en of de granaatappelbomen al bloeien.

12 Ik wist niet wat me overkwam! Ik werd op de strijdwagen van de koning neergezet!”

Het hoofdstuk eindigt met een reflectie van de eerste zinnen,  de meisjes vragen nu; laat ons eens naar je kijken.

13 Anderen: “Draai je eens rond, kom, draai nog eens zodat we je goed kunnen zien!” Hij: “Wat willen jullie kijken naar dit meisje uit Sulem? Ze is geen Mahanaïm danseres!”

Mahanaïm is een Bijbelse naam. Mahanaïm is een Hebreeuwse meervoudsvorm en betekent twee heerscharen, twee kampen, legers of dubbel leger.

Sorry meisjes,  de Geliefde is even onbereikbaar. Twee legers dansen samen in Hooglied 6.

Hooglied 6 legers

Hooglied 7, de schoonheid van de Bruid

In hoofdstuk 6 lazen we hoe de Bruid en de Bruidegom elkaar bewonderen en prijzen. Hoofdstuk 7 gaat in datzelfde thema verder, de Bruidegom bewondert de schoonheid van de Bruid, vooral haar fysieke schoonheid. Alle beelden die hier worden geschetst zijn niet moeilijk te interpreteren.

 
Hij:bruid en bruidegom 1 Hoe mooi zijn uw schreden in uw sandalen, vorstendochter. De rondingen van uw heupen zijn als halssieraden, het werk van kunstenaarshanden.
2 Uw navel is als een ronde schaal waarin geen gemengde wijn ontbreekt. Uw buik is als een hoop tarwe, omgeven door lelies.
3 Uw beide  borsten zijn als twee kalfjes, de tweeling van een gazelle.
4 Uw hals is als de ivoren toren, uw ogen zijn als de vijvers te Hesbon bij de poort Bath-Rabbim. Uw neus is als de toren van de Libanon, die uitziet op Damascus.
5 Uw hoofd is op u als de Karmel en uw haartooi is als roodpurper, de Koning zit gevangen in de lokken.
6 Wat bent u mooi, wat bent u lieflijk, liefste, vol van genot!
 
De Bruidegom geniet van de schoonheid van zijn Liefste; haar voeten, dijen, buik, borsten, hals, ogen, neus, hoofd en haar. Wat zal hij daar mee gaan doen?
 
7 De lengte van u is te vergelijken met een palmboom,Druiventrossen de schoonheid van de bruid Hooglied 7 uw borsten met druiventrossen.
8 Ik zei: Ik wil in de palmboom klimmen, zijn takken grijpen. Laten uw borsten toch zijn als trossen aan de wijnstok, de geur van uw neus als die van appels,
9 en uw gehemelte als goede wijn.

zij: Die stroomt regelrecht naar mijn Liefste en druppelt op de lippen van de slapenden.

10 Ik ben van mijn Liefste en Zijn begeerte gaat naar mij uit.

11 Kom, mijn Liefste, laten wij naar buiten gaan, het veld in, laten wij overnachten in de dorpen.

12 Laten wij vroeg opstaan om naar de wijngaarden te gaan om te zien of de wijnstok uitloopt, of de knoppen zich hebben geopend, of de granaatappelbomen gaan bloeien. Daar zal ik U mijn liefde geven.

13 De liefdesappels geven hun geur en aan onze deuren hangen allerlei kostelijke vruchten, verse en ook oude. Mijn Liefste, die heb ik voor U bewaard!

 
Granaatappels werden gezien als een lustopwekkend middel wat ook de vruchtbaarheid ten goede zou komen. De Bruid heeft alle vruchten van haar seksualiteit voor haar Bruidegom klaar liggen, zowel oude als nieuwe. Het beeld is hier dat de Bruid zin heeft haar Liefste met haar lichaam te bekoren, gereed om haar schoonheid die Hij al zo lang bewonderd met Hem te delen. De Bruid geeft alles en houdt niets achter. Hooglied Salomo, de schoonheid van de bruid

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *

Deze website gebruikt Akismet om spam te verminderen. Bekijk hoe je reactie-gegevens worden verwerkt.